Welkomstwoord Mevr. Elly Blanksma-van den Heuvel, burgemeester van Helmond
Opening van de vergadering Prof.dr. Jan de Lange, voorzitter NVMKA
Prof.ir. Elphi Nelissen, hoogleraar Building Sustainability, TU/e, Eindhoven
Brainport Smart District
Prof.dr.ir. Maarten Steinbuch, hoogleraar Control Systems Technology groep,TU/e, Eindhoven
Super chirurgen met robots?
Voorzitters: P. Valkenburg en H.C.M. Donders
MKA-Talk
1. D. Koper, L. Smeets, P. Laeven, R. Claessen, P. Kessler
Topology optimization van reconstructieplaten voor de mandibula

1. TOPOLOGY OPTIMIZATION VAN RECONSTRUCTIEPLATEN VOOR DE MANDIBULA

KOPER1, L. SMEETS2, P. LAEVEN2, R. CLAESSEN1, P. KESSLER1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Maastricht Universitair Medisch Centrum, Maastricht

2 Instrument Development, Engineering & Evaluation, Maastricht University, Maastricht

Introductie en doelstellingen
Patiënt Specifieke Implantaten (PSI’s) worden voor meerdere indicaties gebruikt, waaronder ter overbrugging van een mandibuladefect na continuïteitsresectie. Additive manufacturing (AM) maakt het mogelijk complexe 3D structuren te maken en unieke gewenste eigenschappen in deze PSI’s in te bouwen. Voor industriële toepassingen wordt topology optimization gebruikt om de materiaalverdeling binnen producten te optimaliseren. Het doel van deze studie is het maken van een in silico model voor het optimaliseren van een patiënt specifieke reconstructieplaat voor de mandibula door topology optimization.

Materiaal en methoden
Een preoperatieve CT-scan van een patiënt met geplande continuïteitsresectie van de mandibula werd gesegmenteerd en de resectie werd virtueel uitgevoerd. Na het ontwerpen van een reconstructieplaat werd topology optimization toegepast op basis van een gestandaardiseerd krachtenpatroon op de mandibula. Data omtrent het berekende krachtenverloop en de verwachte materiaalreductie werden geanalyseerd.

Resultaten
Het bleek mogelijk om in silico topology optimization toe te passen op het ontwerp van een patiënt specifieke reconstructieplaat ter overbrugging van een mandibuladefect, waarmee een verwachte materiaalreductie voor vervaardiging van 70-80% werd bereikt. Het ontwikkelde protocol is een eerste stap in de fysieke validatie van dit model.

Conclusie
Door topology optimization wordt het mogelijk om PSI’s te ontwerpen met gewenste mechanische eigenschappen, waarbij de hoeveelheid gebruikt materiaal voor productie wordt geminimaliseerd. Dit komt de AM-keten ten goede en het biedt een optimale reconstructie voor de patiënt.

Referenties
Moiduddin K, Anwar S, Ahmed N, Ashfaq M, Al-Ahmari A. Computer Assisted Design and Analysis of Customized Porous Plate for Mandibular Reconstruction. IRBM 38: 78–89, 2017.

Narra N, Valášek J, Hannula M, Marcián P, Sándor GK, Hyttinen J, Wolff J. Finite element analysis of customized reconstruction plates for mandibular continuity defect therapy. J Biomech 47: 264–268, 2014.

Vollmer D, Meyer U, Joos U, Vègh A, Piffkò J. Experimental and finite element study of a human mandible. Journal of Cranio-Maxillofacial Surgery 28: 91–96, 2000.

MKA-Talk
2. S. van Dijk, C. Klop, B. van Minnen, J. de Lange, L. Dubois
Het gebruik van 3D voorgevormd osteosynthesemateriaal in de aangezichtstraumatologie

2. HET GEBRUIK VAN 3D VOORGEVORMD OSTEOSYNTHESEMATERIAAL IN DE AANGEZICHTSTRAUMATOLOGIE

VAN DIJK1, C. KLOP1, B. VAN MINNEN2, J. DE LANGE1, L. DUBOIS1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, locatie AMC, Amsterdam

2 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen

Introductie
Anatomisch voorgevormd osteosynthesemateriaal heeft inmiddels zijn plek verworven in de traumatologie van de orbita. Diverse studies laten zien dat deze voorgevormde implantaten superieur zijn als het gaat om anatomisch herstel van de benige wanden van de orbita.  Een belangrijke voorwaarde voor het succes van deze platen is dat de benige contouren een redelijke mate van symmetrie vertonen. Jansen et al. (2017) heeft dit voor de orbita reeds aangetoond. Maar ook voor het benige zygomatico-maxillaire complex  laat Ho et al. (2018) zien dat de symmetrie sterk is: het gemiddelde verschil van gespiegelde zygomata is slechts 1,0 mm bij mannen en 0.8 mm bij vrouwen (2).  Vanuit deze analogie zou het mogelijk moeten zijn in meer regio’s in het aangezicht gebruik te maken van 3D gevormde osteosyntheseplaten. In onder andere het Amsterdam UMC, locatie AMC, en het UMC Groningen heeft in samenwerking met KLS Martin een pilot plaatsgevonden waar deze 3D osteosyntheseplaten klinisch zijn getest.
In deze MKA-talk zullen de eerste ervaringen, de klinische toepasbaarheid en de resultaten worden besproken.

Referenties
Dubois, L., et al. "Controversies in orbital reconstruction—III. Biomaterials for orbital reconstruction: a review with clinical recommendations." International journal of oral and maxillofacial surgery 45.1 (2016): 41-50.
Jansen, Jesper, et al. "Should virtual mirroring be used in the preoperative planning of an orbital reconstruction?." Journal of Oral and Maxillofacial Surgery 76.2 (2018): 380-387.
Ho, Jean-Pierre TF, et al. "Natural variation of the zygomaticomaxillary complex symmetry in normal individuals." Journal of Cranio-Maxillofacial Surgery 45.12 (2017): 1927-1933.

3. B.J. Merema, J. Kraeima, S.A.H.J. de Visscher, J.L.N. Roodenburg, F.K.L. Spijkervet, K.P. Schepman, M.J.H. Witjes
Pilotstudie naar de precisie van overbrugging van mandibulaire continuïteitsdefecten met een patiënt specifieke reconstructieplaat

3. PILOTSTUDIE NAAR DE PRECISIE VAN OVERBRUGGING VAN MANDIBULAIRE CONTINUITEITSDEFECTEN MET EEN PATIENT SPECIFIEKE RECONSTRUCTIEPLAAT

B.J. MEREMA, J. KRAEIMA, S.A.H.J. DE VISSCHER, J.L.N. ROODENBURG, F.K.L. SPIJKERVET,  K.P. SCHEPMAN, M.J.H. WITJES

Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum,  Groningen

Introductie en doelstelling
In gevallen waarbij autotransplantatie van bot niet mogelijk is voor herstel van continuïteitsdefecten in de mandibula wordt veelal een reconstructie osteosyntheseplaat aangebracht. Door buigen en een suboptimale pasvorm zijn plaatbreuk en losse osteosyntheseschroeven een bekend verschijnsel1. Het ontwikkelen van een mechanisch superieure en toch slanke osteosynthese reconstructieplaat met strategisch geplaatste steunpunten en schroefplaatsing was het doel van deze pilotstudie.

Materiaal en methoden
5 patiënten met een gebroken (n = 2) of losgelaten (n = 1) reconstructieplaat of noodzaak tot het overbruggen van een continuïteitsdefect van de mandibula (n = 2) werden geïncludeerd. De nieuwe reconstructieplaat werd ontworpen in CAD/CAM software, waarbij de mandibulastompen met flenzen tegen het osteotomievlak ondersteund werden en de schroeflocaties individueel werden bepaald. De plaat werd gefreesd uit medisch titaniumlegering en de boormallen 3D geprint. Naar het eindontwerp wordt ook wel gerefereerd als de boekensteunplaat. Op een postoperatieve CBCT werd de plaatsingsaccuratesse van de plaat vergeleken met de 3D pre-operatieve planning.

Resultaten
Alle platen werden nauwkeurig geplaatst volgens virtuele planning. Postoperatief blijken alle platen nog in situ (1-18 maanden) en mechanisch voldoende sterk en zijn er geen schroeven losgekomen. De mogelijkheid om met 3D virtuele planning exact de schroeflocaties te kunnen bepalen in bijvoorbeeld de kopse kant van de mandibulastomp of in situaties waar al schroefgaten in de mandibula aanwezig zijn, is zeer waardevol gebleken.

Conclusies
Voor patiënten met een continuïteitsdefect waarbij geen autotransplantaat kan worden toegepast, lijkt de patiënt specifieke Groninger boekensteunplaat een gepaste en precieze uitkomst, waarbij een subtiele hoeveelheid materiaal toch een adequate fixatie waarborgt.

Referenties
Maurer P(1), Eckert AW, Kriwalsky MS, Schubert J. Scope and limitations of methods of mandibular reconstruction: a long-term follow-up. Maxillofac Surg. 2010 Mar;48(2):100-4.

4. S.C. van den Bosch, N.E.M. van de Voort, T. Xi, R.B. Kool, S.J. Bergé, M.J. Faber
Patiëntgerichte e-health interventies in de MKA-chirurgie: de resultaten van een scoping review

4. PATIËNTGERICHTE E-HEALTH INTERVENTIES IN DE MKA-CHIRURGIE: DE RESULTATEN VAN EEN SCOPING REVIEW

S.C. VAN DEN BOSCH1,3, N.E.M. VAN DE VOORT1, T. XI1, R.B. KOOL2, S.J. BERGÉ 1, M.J. FABER2

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen
2 Scientific Institute for Quality of Healthcare, Radboudumc, Nijmegen
3 Reshape & Innovation Centre, Radboudumc, Nijmegen

Introductie
E-health is een veelbelovend instrument om de kwaliteit van zorg binnen de MKA-chirurgie verder te verbeteren. Gezien het feit dat veel e-health interventies in de pilotfase blijven hangen, is implementatie in de dagelijkse praktijk nog geen realiteit. Het doel van deze studie is om het onderzoek naar patiëntgerichte e-health interventies binnen de MKA-chirurgie in zijn gehele breedte in kaart te brengen, door middel van een scoping review.
Er werd een systematische review van de literatuur verricht met verscheidene e-health- en MKA-chirurgie gerelateerde zoektermen, om relevante studies te identificeren welke gepubliceerd zijn tot en met 13 september 2017. De geselecteerde studies betroffen patiëntgerichte e-health interventies voor patiënten met een MKA gerelateerde afwijking. De interventies zijn in kaart gebracht op basis van de belangrijkste componenten, doelgroep en uitkomstmaten. Om inzicht te krijgen in de onderzoeksfase waarin de interventies geëvalueerd zijn, werd het framework van de Britse Medical Research Council (MRC) toegepast.

41 publicaties zijn geïncludeerd, welke 34 unieke interventies beschrijven. 19 interventies zijn ontwikkeld voor hoofd-halsoncologische patiënten, 21 interventies betreffen online counseling interventies, waarvan er 11 video-consultaties betreffen.
Volgens de indeling van het MRC framework passen 26 publicaties in de zogenaamde feasibility en pilotfase, 8 in de evaluatiefase en 7 betreffen de ontwikkelfase. Er werd geen enkele implementatiestudie gevonden.

Deze scoping review kan aan startpunt zijn voor degenen die geïnteresseerd zijn in het toepassen en evalueren van e-health in de dagelijkse MKA-chirurgische praktijk. Gezien het feit dat er vooral feasibility en pilotstudies gevonden zijn van soortgelijke interventies, lijkt nauwere samenwerking tussen klinieken en onderzoeksgroepen aangewezen om de daadwerkelijke implementatie van e-health in de dagelijkse praktijk te katalyseren.
Nauwe betrokkenheid van patiënten in de ontwikkeling en evaluatie van patiëntgerichte e-health interventies is essentieel om tot werkelijk patiëntgerichte MKA-chirurgie te kunnen komen.

Prof.dr. Dietmar Ulrich, hoogleraar Plastische Chirurgie, Radboudumc, Nijmegen & Dr. Thomas Maal, coördinator van het Radboudumc 3D Lab, Nijmegen
Radboudumc 3D Lab – multidisciplinaire samenwerking MKA en Plastische Chirurgie
Voorzitters: Dr. G. Mensink en W. Sorghabi
5. B. Pluijmers, L. van de Lande, L. Caron, E.B. Wolvius, D. Dunaway, B. Padwa, M.J. Koudstaal
Maxillaire correctie en canting bij craniofaciale microsomie

5. MAXILLAIRE CORRECTIE EN CANTING BIJ CRANIOFACIALE MICROSOMIE

PLUIJMERS1, L. VAN DE LANDE1,2, L. CARON1, E.B. WOLVIUS1,2, D. DUNAWAY3,
PADWA2, M.J. KOUDSTAAL1,2,3

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
2 Department of Plastic and Oral Surgery, Boston Children’s Hospital, Boston, USA
3 The Craniofacial Unit, Great Ormond Street Hospital, London, UK

Introductie
Mandibulaire correctieve chirurgie bij patiënten met craniofaciale microsomie (CFM) is uitgebreid beschreven in de literatuur. Echter, de resultaten zijn niet altijd (esthetisch) optimaal, mede dankzij de maxillo-mandibulaire asymmetrie. Na een systematic review aangaande bovenkaakcorrecties bij CFM-patiënten bleek dat een Le Fort 1 osteotomie gecombineerd met een mandibulaire distractie (Le Fort + MDO) het meest werd toegepast bij een Pruzansky-Kaban type I, IIa en IIb. De bimaxillaire osteotomie (BiMax) werd daarentegen toegepast bij type IIb en III; in deze laatste groep had 50% eerdere chirurgie heeft ondergaan.  Dit bracht ons tot de vraag hoe maxillaire en mandibulaire hypoplasie zijn gecorreleerd en het type maxillaire correctie beïnvloedt.

Patiënten en methode
Een retrospectief status onderzoek werd uitgevoerd waarbij CFM-patiënten werden geïncludeerd van twee grote craniofaciale centra. Unilaterale CFM-patiënten met bruikbare CT-scans van niet geopereerde bovenkaken werden geïncludeerd. Een maxillaire canting schaal werd bedacht en geëvalueerd. Pearson correlatie coëfficiënten zijn gebruikt voor de correlatie tussen mandibulaire hypoplasie en maxillaire canting.

Resultaten
81 patiënten werden geïncludeerd; 39,5% hiervan hadden een Pruzanksy-Kaban type III onderkaak en 42% hadden een milde maxillaire cant. Er was een significant positieve correlatie tussen de mandibulaire hypoplasie en maxillaire cant (r = 0.370; p < 0.001; n = 81).
24 patiënten kregen uiteindelijk een correctie van de bovenkaak, met name gecombineerd in een BiMax.

Conclusie
Er is een positieve correlatie tussen de ernst van de mandibulaire hypoplasie en de maxillaire cant. Echter, de mate van mandibulaire hypoplasie lijkt de chirurgische correctie van zowel mandibula als maxilla te bepalen.

6. J.P.T.F. Ho, R. Schreurs, F. Baan, A.G. Becking, J. de Lange
Precisie en voorspelbaarheid van splintloze orthognatische chirurgie bij edentate patiënten

6. PRECISIE EN VOORSPELBAARHEID VAN SPLINTLOZE ORTHOGNATISCHE CHIRURGIE BIJ EDENTATE PATIENTEN

J.P.T.F. HO1, R. SCHREURS1,2, F. BAAN2, A.G. BECKING1, J. DE LANGE1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, locatie AMC, Amsterdam
2
Afdeling 3D Lab, Radboudumc, Nijmegen

 

Introductie en doelstelling
De ontwikkelingen binnen orthognatische chirurgie zijn overwegend gericht op dentate patiënten. De implementatie van patiënt specifieke implantaten (PSI’s) lijkt goed bruikbaar bij dentate en wellicht ook bij edentate patiënten1,2. Het doel van deze studie is om de bruikbaarheid van deze techniek bij edentate patiënten te presenteren en de precisie en voorspelbaarheid van deze techniek te evalueren.

 

Materiaal en methoden
In deze prospectieve studie ondergingen 4 achtereenvolgende edentate patiënten een splintloze orthognatische operatie. De osteotomie werd computer geassisteerd gepland met een CT-scan en vervolgens werden individuele osteotomiemallen en PSI’s voor osteosynthese ontworpen en geprint. De evaluatie van de positionering van de bovenkaak vond plaats met de OrthoGnaticAnalyser. Voor de onderkaak werd de geplande en bereikte gapgrootte opgemeten en met elkaar vergeleken.

 

Resultaten
2 mannen en 1 vrouw ondergingen een maxillo-mandibulaire-advancement osteotomie vanwege OSA en 1 vrouw onderging een bilaterale-sagittale-splijting-osteotomie i.v.m. faciale asymmetrie. De gemiddelde afwijking tussen de geplande en behaalde maxillapositie was in dorsoventrale richting 1,0 mm [0,62-1,89 mm], in mediolaterale richting 0,3 mm [0,08-0,66 mm], in craniocaudale richting 0,4 mm [0,02-0,9 mm], pitch 1,9o [0,36-4,63o], yaw 0,1o [0,08-0,16o], roll 0,1o [0,17-0,75o]. De gemiddelde afwijking voor de mandibula tussen geplande en postoperatieve gap was 0,5 mm [0,37-0,75 mm].

 

Conclusie
Splintloze orthognatische chirurgie bij edentate patiënten blijkt in deze kleine serie een precieze en voorspelbare techniek te zijn met voordelen ten opzichte van conventionele technieken.

 

Referenties
K Kraeima J, Jansma J2, Schepers RH. Splintless surgery: does patient-specific CAD-CAM osteosynthesis improve accuracy of Le Fort I osteotomy? Br J Oral Maxillofac Surg. 2016 Dec;54(10):1085-1089. Li B, Shen S, Jiang W, Li J, Jiang T, Xia JJ, Shen SG, Wang X. A new approach of splint-less orthognathic surgery using a personalized orthognathic surgical guide system: A preliminary study. Int J Oral Maxillofac Surg. 2017 Oct;46(10):1298-1305. Baan F, Liebregts J, Xi T, Schreurs R, de Koning M, Bergé S, Maal T. A New 3D Tool for Assessing the Accuracy of Bimaxillary Surgery: The OrthoGnathicAnalyser.

 

7. J. Kraeima, J. Jansma, F. Baan, M.J.H. Witjes, F.K.L. Spijkervet, R.H. Schepers
Splintless surgery: verbetert patiënt specifieke, CAD-CAM, osteosynthese de nauwkeurigheid van de maxillaire verplaatsing na een Le Fort I osteotomie? Een Multi-Center RCT

7. SPLINTLESS SURGERY: VERBETERT PATIËNT SPECIFIEKE, CAD-CAM, OSTEOSYNTHESE DE NAUWKEURIGHEID VAN DE MAXILLAIRE VERPLAATSING NA EEN LE FORT I OSTEOTOMIE? EEN MULTI-CENTER RCT
  1. KRAEIMA1, J. JANSMA1, F. BAAN2, M.J.H. WITJES1, F.K.L. SPIJKERVET1, R.H. SCHEPERS1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
2 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen

Introductie
Driedimensionale planning van orthognatische chirurgie wordt doorgaans vertaald naar de daadwerkelijke chirurgische ingreep middels het gebruik van een operatiesplint, in combinatie met handmatig aangebogen osteosynthesemateriaal (OSM). Deze multicenter RCT evalueert een in het UMCG ontwikkelde methode waarbij het OSM preoperatief patiënt specifiek is gefabriceerd op basis van de 3D planning en er dus geen splint nodig is. Het doel is de nauwkeurigheid van verplaatsing van de maxilla te verbeteren.

Materiaal en methode
Inclusiecriteria voor deelname aan de RCT waren: een Le Fort I osteotomie als onderdeel van de orthognatisch-chirurgische behandeling en minimaal 18 jaar oud. Het patiënt specifieke OSM voor de interventiegroep werd ontworpen op basis van een 3D virtueel model welke tot stand kwam op basis van een Cone-Beam CT (CBCT). Het OSM werd gefreesd uit titanium (Createch, Mendaro, Spanje) en de bijbehorende plaatsingsguide werd 3D geprint. De vergelijking tussen de interventie en de controlegroep berust op de nauwkeurigheid van verplaatsing t.o.v. het preoperatieve plan, gecontroleerd op een postoperatieve CBCT.

(Voorlopige) Resultaten
Er werd een totaal van 50 patiënten  geïncludeerd en geanalyseerd. Hierin blijkt dat de gemiddelde afwijking in antero-posterieure richting (p = 0,05) in de interventiegroep 1,3 mm is en in de controlegroep 2,0 mm. In medio-laterale richting (p = 0,07) is dit 0,5 mm en 0,9 mm respectievelijk, en in cranio-caudale richting (p = 0,9) is deze afwijking 1 mm en 1,3 mm voor de interventie- en controlegroep.

Conclusie
Gebruik van patiënt specifieke OSM geeft een nauwkeuriger positionering van de maxilla na een Le Fort I osteotomie.

8. J. Rooyer, J. Liebregts, F. Baan, T.J.J. Maal, S.J. Bergé, T. Xi
De haalbaarheid van 3D planning bij maxillaire impactie in bimaxillaire osteotomieën

8. DE HAALBAARHEID VAN 3D PLANNING BIJ MAXILLAIRE IMPACTIE IN BIMAXILLAIRE OSTEOTOMIEËN

J. ROOYER, J. LIEBREGTS, F. BAAN, T.J.J. MAAL, S.J. BERGÉ, T. XI

Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen

Introductie
De implementatie van virtuele 3D planning is de nieuwe standaard in zowel diagnostiek als planning van orthognatische chirurgie. Hoewel de haalbaarheid van 3D geplande bimaxillaire kaakverplaatsingen uitgebreid is onderzocht, is er gebrekkige literatuur betreffende de haalbaarheid van een van de meest lastige chirurgische kaakverplaatsingen, de posterieure maxillaire impactie.

Materialen en methoden
Virtuele 3D modellen van 114 patiënten die tussen 2010 en 2015 een bimaxillaire osteotomie met geplande maxillaire impactie ondergingen, werden ingeladen in Maxilim software vanuit pre- en postoperatief vervaardigde CBCT-datasets. De geplande kaakverplaatsingen werden peroperatief middels een 3D geprinte interocclusale wafer geleid. De haalbaarheid van de anterieure en posterieure maxillaire impactie werd gekwantificeerd door beoordeling van de gemiddelde verschillen in 3D coördinaten van gedigitaliseerde landmarks tussen de planning en het postoperatieve resultaat.

Resultaten
De gemiddelde virtuele 3D geplande anterieure en posterieure maxillaire impacties waren respectievelijk 0,12 ± 0,28 mm (SD 2,97) en 0,49 ± 0,22 mm (SD 2,31). De anterieure maxillaire impactie liet een sterkere concordantie met de 3D geplande impactie zien dan de posterieure maxillaire impactie, met een gemiddeld verschil van respectievelijk 0,18 +/- 0,18 mm (SD 1,89) versus 0,36 +/- 0,16 mm (SD 1,69). Statistische analyse middels Pearson’s test toont de correlatie van de haalbaarheid van de impactie met de grootte van zowel de anterieur (r = -0,49, p < 0,05), als posterieur geplande maxillaire impactie (r = 0,32, p < 0,05).

Conclusie
Dit onderzoek onderstreept het belang betreffende het optimaliseren van de haalbaarheid van 3D geplande maxillaire impacties in bimaxillaire osteotomieën, met nadruk op de posterieure impactie. Hierbij is adequate intra-operatieve controle buiten het gebruik van een interocclusale wafer aan te raden.

9. R. van Luijn, F. Baan, M. de Koning, S.J. Bergé, T.J.J. Maal, T. Xi
Landmark-based versus voxel-based 3D cefalometrische analyse: een vergelijkende studie

9. LANDMARK-BASED VERSUS VOXEL-BASED 3D CEFALOMETRISCHE ANALYSE: EEN VERGELIJKENDE STUDIE
  1. VAN LUIJN, F. BAAN, M. DE KONING, S.J. BERGE, T.J.J. MAAL, T. XI

Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen

Introductie
Het doel van deze studie is het vergelijken van de nauwkeurigheid van klassieke landmark-based 3D cefalometrie (1) versus een nieuwe voxel-based 3D cefalometrische analyse (2).

Materiaal en methoden
CBCT-scans van 15 patiënten die een bimaxillaire osteotomie ondergingen, werden geselecteerd uit ons patiëntenbestand. Voorafgaande aan chirurgie werd een CBCT vervaardigd en werd een individueel 3D operatieplan gemaakt voor iedere patiënt. Gedurende de chirurgie werden de kaken gepositioneerd door middel van gefreesde interocclusale wafers. Een week na de ingreep werd de postoperatieve CBCT vervaardigd. De pre- en postoperatieve CBCT-data werd gerenderd in 3D en werden de virtuele modellen gesuperponeerd op de schedelbasis. De verkregen verplaatsingen van de kaaksegmenten werden gekwantificeerd met behulp van een conventionele landmark-based 3D  cefalometrische analyse en met behulp van een nieuwe methode die gebruikmaakte van voxel-based superpositie van de verplaatste kaaksegmenten. Alle metingen werden door de zelfde observator driemaal verricht. De reproduceerbaarheid van de metingen werd uitgedrukt in intra-class correlatie en Bland-Altman plots.

Resultaten
Hoge intra-class correlatie werd gevonden voor beide methoden (> 0,95). De voxel-based cefalometrie toonde een hogere reproduceerbaarheid ten opzicht van de klassieke landmark-based cefalometrie met  betrekking tot het kwantificeren van verplaatsingen van de maxilla en distale mandibula.

Conclusie
Het gebruik van de voxel-based 3D cefalometrische analyse verdient de voorkeur bij het kwantificeren van 3D kaakverplaatsingen. Omdat de cefalometrische punten slechts een keer op de preoperatieve CBCT geplot hoeven te worden, kunnen de manuele meetfouten tot een minimum worden beperkt.

Referenties

  1. Swennen, G. R. J. et al. (2006) ‘A new method of 3-D cephalometry Part I: the anatomic Cartesian 3-D reference system.’, The Journal of craniofacial surgery, 17(2), pp. 314–25. doi: 10.1097/00001665-200603000-00019.
  2. Baan, F. et al. (2016) ‘A new 3D tool for assessing the accuracy of bimaxillary surgery: The OrthoGnathicanAlyser’, PLoS ONE, 11(2), pp. 1–14. doi: 10.1371/journal.pone.0149625.
10. M. van den Bempt, J. Liebregts, T.J.J. Maal, S.J. Bergé, T. Xi
Accuraatheid van intraoperatieve computernavigatie, 3D surgical guides en patiënt specifiek osteosynthesemateriaal in orthognatische chirurgie

10. ACCURAATHEID VAN INTRAOPERATIEVE COMPUTERNAVIGATIE, 3D SURGICAL GUIDES EN PATIËNT SPECIFIEK OSTEOSYNTHESEMATERIAAL IN ORTHOGNATISCHE CHIRURGIE
  1. VAN DEN BEMPT, J. LIEBREGTS, T.J.J. MAAL, S.J. BERGÉ, T. XI

Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen

Introductie
Het doel van deze systematische review is het in kaart brengen van de accuraatheid waarmee het virtuele chirurgische plan kan overgebracht worden naar de patiënt wanneer er gebruikgemaakt wordt van moderne technieken zoals intraoperatieve computernavigatie, 3D surgical guides en/of patiënt specifiek osteosynthesemateriaal.

Materiaal en methoden
Er werd een systematische review uitgevoerd van de beschikbare literatuur, gepubliceerd voor augustus 2017, in de databanken MEDLINE, Embase en de Cochrane Library. Studies op patiënten die een orthognatische ingreep ondergingen met behulp van intraoperatieve computernavigatie, 3D  surgical guides en/of patiënt specifiek osteosynthesemateriaal en waarbij een kwantitatieve postoperatieve analyse van de accuraatheid werd uitgevoerd, werden geïncludeerd.

Resultaten
Van de 3050 gevonden artikelen werden 16 studies geïncludeerd in deze systematische review. De drie onderzochte technieken hebben een vergelijkbare accuraatheid in het overbrengen van 3D  geplande kaakverplaatsingen naar de patiënt. Er werd een grote variëteit gevonden in de manier waarop de chirurgische accuraatheid gemeten werd en in de gerapporteerde resultaten.

Conclusie
Intraoperatieve computernavigatie en 3D surgical guides met of zonder patiënt specifiek osteosynthesemateriaal laten toe het virtuele chirurgische plan met een hoge accuraatheid over te brengen naar de patiënt. De bevindingen in deze review tonen dat deze moderne technieken het potentieel bezitten om in de toekomst de plaats van de klassieke wafers in te nemen in de dagelijkse praktijk. Relatief hoge kosten en, bij de meeste technieken, een toename van de operatieduur vormen het belangrijkste obstakel in het toepassen van deze technieken in de dagelijkse klinische praktijk.

Referenties
Mazzoni S, Badiali G, Lancellotti L, Babbi L, Bianchi A, Marchetti C: Simulation-Guided Navigation. J Craniofac Surg 21: 1698–705, 2010.
Zinser MJ, Sailer HF, Ritter L, Braumann B, Maegele M, Zöller JE: A paradigm shift in orthognathic surgery? A comparison of navigation, computer-aided designed/computer-aided manufactured splints, and “classic” intermaxillary splints to surgical transfer of virtual orthognathic planning. J Oral Maxillofac Surg 71: 1–21, 2013.
Li B, Shen S, Jiang W, Li J, Jiang T, Xia JJ, et al.: A new approach of splint-less orthognathic surgery using a personalized orthognathic surgical guide system: A preliminary study. Int J Oral Maxillofac Surg 46: 1298–305, 2017.

Voorzitters: S.C. van den Bosch en M.H.A.S. Verdoorn
11. S.E.C. Pichardo, F.W. ten Broek, M. Fiocco, N.M. Appelman-Dijkstra, J.P.R. van Merkesteyn
(CB)CT-bevindingen in medicatie gerelateerde osteonecrose van de kaak (MRONJ): een observationele pilotstudie

11. (CB)CT-BEVINDINGEN IN MEDICATIE GERELATEERDE OSTEONECROSE VAN DE KAAK (MRONJ): EEN OBSERVATIONELE PILOTSTUDIE

S.E.C. PICHARDO1, F.W. TEN BROEK1, M. FIOCCO3, N.M. APPELMAN-DIJKSTRA2,
J.P.R. VAN MERKESTEYN1

(CB)CT-BEVINDINGEN IN MEDICATIE GERELATEERDE OSTEONECROSE VAN DE KAAK (MRONJ): EEN OBSERVATIONELE PILOTSTUDIE
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Bijzondere Tandheelkunde en Orthodontie, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam

Introductie en doelstelling
Guided Bone Regeneration (GBR) wordt toegepast bij een buccaal botdefect tijdens het plaatsen van implantaten. Het doel van deze prospectief gecontroleerde studie was het vergelijken van klinische en esthetische parameters bij enkeltandsvervanging met en zonder kleine GBR-procedure.

Materiaal en methoden
Patiënten werden ingedeeld in een groep met en zonder GBR tijdens het plaatsen van een Straumann Bonelevel implantaat in de esthetische zone. De aanwezigheid van een buccale dehiscentie van 2-4 mm was een vereiste voor de GBR-groep. Follow-up vond plaats tot 12 maanden na belasten. Uitkomsten waren implantaatoverleving en succes, complicaties, klinische- en radiologische parameters, PES/WES-scores en patiënttevredenheid.

Resultaten
Bij 25 patiënten was er een buccaal botdefect na plaatsing implantaat en bij 31 patiënten was er volledige botbedekking. De verdeling van implantaten in de incisief, cuspidaat en premolaar-regio was ongelijk tussen beide groepen (χ2(3) = 16,018, P < 0,001), waarbij een botdefect vaker werd gezien op de positie van de incisieven. Implantaatoverleving was 100% in de GBR-groep (25/25) tegenover 96,15% (25/26; 5 lost in follow-up) in de groep zonder GBR (RR 1,04, 95% CI 0,96 – 1,12). Succespercentages waren respectievelijk 96% (24/25) en 84.6% (22/26) (RR 1.13, 95% CI 0,95 – 1,36). Er werden geen verschillen gevonden in plak-, bloeding- en gingiva-index, pocketdiepte en marginaal botniveau, PES/WES-scores of patiënttevredenheid.

Conclusie
Implantaten geplaatst in combinatie met een kleine GBR-procedure en implantaten zonder botdefect tonen vergelijkbare uitkomsten betreffende implantaatoverlevering en succes, complicaties, klinische en radiologische parameters, esthetiek en patiënttevredenheid tot een jaar na belasten.

12. J.G. van Rijssel, J.P. Verweij, J.P.R. van Merkesteyn
Zichtbare contourverandering van de mandibula onderrand na bilaterale sagittale splijtingsosteotomie

12. ZICHTBARE CONTOURVERANDERING VAN DE MANDIBULA ONDERRAND NA BILATERALE SAGITTALE SPLIJTINGSOSTEOTOMIE

J.G .VAN RIJSSEL, J.P. VERWEIJ, J.P.R. VAN MERKESTEYN

Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden

Introductie
Zichtbare contour verandering van de mandibula onderrand na bilaterale sagittale splijtingsosteotomie (BSSO) kan een ongewenst esthetisch resultaat veroorzaken. In enkele gevallen is een tweede chirurgische ingreep noodzakelijk ter reconstructie van de mandibula onderrand. Het doel van deze studie was om de incidentie van een zichtbare contourverandering van de mandibula onderrand na BSSO te bepalen en tevens risicofactoren voor het ontstaan van een dergelijke contourverandering te onderzoeken.

Methode
In deze retrospectieve studie, aan protocollair vervaardigde post-operatieve dia’s, werden patiënten geïncludeerd die een bsso-advancement ondergingen in verband met een retrognathie van de mandibula. De primaire uitkomst was de aan- of afwezigheid van een zichtbare contourverandering een jaar postoperatief. De volgende mogelijke risicofactoren werden onderzocht: aanwezigheid van een ossaal onderranddefect van de mandibula, de mate van verplaatsing, rotatie van het occlusale vlak, postoperatieve positie van het proximale segment, verloop van de linguale splijting, aanwezigheid van badsplit, aanwezigheid van de verstandskiezen.

Resultaten
147 patiënten werden geïncludeerd met een gemiddelde follow-up van 13,2 maanden. Een zichtbare contourverandering was aanwezig in 2% van de patiënten. Er werden geen secundaire reconstructies uitgevoerd. Een ossaal onderranddefect was aanwezig in 7,1% van de patiënten.

Er was een significante relatie tussen de aanwezigheid van een zichtbare contourverandering en een ossaal defect van de mandibula onderrand.

Conclusie
Zichtbare contourverandering van de mandibula onderrand na bilaterale splijtingsosteotomie is een zeldzame complicatie na BSSO. Een ossaal defect van de mandibula onderrand is een significante risicofactor voor het ontstaan van een zichtbare contourverandering.

MKA-Talk
13. B.J.M. Hoogendoorn, M.E.L. Nienhuijs, L.A. van Vlimmeren, T.J.J. Maal, W.A. Borstlap
3D stereofotogrammetrie gelaatsasymmetrie bij kinderen met congenitale musculaire torticollis (CMT)

13. 3D STEREOFOTOGRAMMETRIE GELAATSASYMMETRIE BIJ KINDEREN MET CONGENITALE MUSCULAIRE TORTICOLLIS

B.J.M. HOOGENDOORN, M.E.L. NIENHUIJS, L.A. VAN VLIMMEREN, T.J.J. MAAL, W.A. BORSTLAP
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen

Introductie en doelstelling
Congenitale musculaire torticollis (CMT) is tot op heden tamelijk onderbelicht en wordt behandeld binnen diverse specialismen. CMT is een cervicale houdings- en bewegingsasymmetrie t.g.v. fibrose van de m. sternocleidomastoïdeus op meestal jonge leeftijd.
Met 3D stereofotogrammetrie worden craniofaciale asymmetrieën vastgelegd en in de tijd gevolgd, bij kinderen met CMT die chirurgisch en fysiotherapeutisch behandeld worden. De chirurgische procedure, waarbij fysiotherapie is geïntegreerd,  zoals toegepast op de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie in het Radboudumc wordt gepresenteerd.

Materiaal en methode
Eerst werd beoordeeld met twee verschillende methoden of kinderen met CMT (n = 18) meer gelaatsasymmetrie hadden in vergelijking met een controlegroep, waarvoor een gestandaardiseerd gelaat werd gecreëerd uit 84 gezonde patiënten (n = 84).

Vervolgens werden chirurgisch behandelde kinderen (n = 10) maximaal twee jaar gevolgd om te evalueren of de gelaatsasymmetrie afnam.

Resultaten
Een significant verschil werd aangetoond in gezichtsasymmetrie (p < 0,01) bij oppervlakte-veranderingen wanneer CMT-patiënten werden vergeleken met de controlegroep. Ratioveranderingen in gebieden van het gelaat waren niet significant verschillend (p = 0,03 tot

p = 0,93). Veranderingen in afname van gelaatsasymmetrie, na chirurgische interventie, konden tot op heden nog niet worden aangetoond vanwege een korte follow-up tijd.

Conclusie
3D stereofotogrammetrie is een effectieve methode om gelaatsasymmetrie bij kinderen met CMT vast te stellen en te evalueren. De toegepaste chirurgische techniek en de multidisciplinaire aanpak specifiek voor het Radboudumc is toegelicht. Er kon nog geen specifieke afname van de gelaatsasymmetrie worden geconstateerd vanwege de kleine onderzoekspopulatie en de relatief korte follow-up tijd. Op basis van de resultaten wordt de huidige behandelstrategie voortgezet.

Voorzitter: Dr. G.J. Dicker
Nard Janssen, MKA-chirurg, Universitair Medisch Centrum, Utrecht
BOOA-lezing Nieuwe inzichten in het sluiten van de gnathoschisis bij patiënten met een cheilognatho(palato)schisis

Nard Janssen is MKA-chirurg in het

Universitair Medisch Centrum Utrecht (Academisch Ziekenhuis Utrecht/Wilhelmina Kinderziekenhuis) met als aandachtsgebieden chirurgie van congenitale craniofaciale aandoeningen en orthognathische chirurgie.

Titel lezing: “Nieuwe inzichten in het sluiten van de gnathoschisis bij patiënten met een cheilognatho(palato)schisis”
Sluiting van de gnathoschisis bij patiënten met een cheilognathopalatoschisis of een cheilognathoschisis is een belangrijke ingreep. Het bewerkstelligt continuïteit van de maxilla en faciliteert doorbraak van gebitselementen naast de gnathoschisis. Bovendien wordt de resterende oronasale communicatie gesloten tijdens deze procedure en wordt de basis van de neusvleugel beter ondersteund. Het gebruik van een autoloog bottransplantaat tijdens sluiting van de gnathoschisis is momenteel de gouden standaard. De twee meest onderzochte oogstplaatsen voor het autoloog bottransplantaat zijn de crista iliaca en de kin. Deze methodes hebben hun succes uitvoerig bewezen. Echter, er is bij het oogsten van een autoloog bottransplantaat een risico op postoperatieve complicaties van de donorsite en een zekere mate van postoperatieve comorbiditeit. Het ligt voor de hand voorgenoemde extra belasting uit de weg te gaan voor een toch al kwetsbare patiëntenpopulatie die een groot aantal operaties op jonge leeftijd moet doorstaan.

Deze voordracht handelt over de zoektocht naar een alternatief voor het gebruik van een autoloog bottransplantaat ten behoeve van sluiting van de gnathoschisis bij kinderen met een enkelzijdige cheilognathopalatoschisis of een enkelzijdige cheilognathoschisis.

 

Voorzitters: J.T.M. van Gemert en M.W.K. Roeloffs
14. F.J. Voskuil, S.J. de Jongh, M.D. Linssen, W.T.R. Hooghiemstra,S.A.H.J. de Visscher, K.P. Schepman, J.L.N. Roodenburg, D. Robinson, W.B. Nagengast, G.M. van Dam, M.J.H. Witjes
Fluorescentie geleide chirurgie bij hoofd-halstumoren middels Cetuximab-IRDye800cw: precisie tijdens intra-operatieve margebepaling

14. FLUORESCENTIE GELEIDE CHIRURGIE BIJ HOOFD-HALSTUMOREN MIDDELS CETUXIMAB-IRDYE800CW: PRECISIE TIJDENS INTRA-OPERATIEVE MARGEBEPALING

F.J. VOSKUIL1, S.J. DE JONGH2, M.D. LINSSEN3, W.T.R. HOOGHIEMSTRA3, S.A.H.J. DE VISSCHER1, K.P. SCHEPMAN1, J.L.N. ROODENBURG1, D. ROBINSON4, W.B. NAGENGAST2, G.M. VAN DAM5, M.J.H. WITJES1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
2 Afdeling MDL, Universitair Medisch Centrum, Groningen
3 Afdeling Klinische Farmacie en Farmacologie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
4 Afdeling CODT, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
5 Afdeling Chirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen

Introductie en doelstelling
Momenteel is er geen techniek voor directe snijvlakbepaling tijdens tumorexcisie van mondholte-tumoren. Een potentiële techniek is het preoperatief inspuiten van een fluorescente tracer dat de tumor doet oplichten. Het conjugaat Cetuximab-IRDye800CW gericht tegen epidermale groeifactor receptor (EGFR) wordt hiervoor speciaal bereid in de ziekenhuisapotheek van het UMCG.

In deze fase 1-studie wordt de optimale dosis van Cetuximab-IRDye800CW onderzocht als marker voor tumor positieve snijvlakken.

Materiaal en methode
Patiënten hebben vier dagen preoperatief de fluorescente stof Cetuximab-IRDye800CW (10mg, 25mg of 50mg) intraveneus toegediend gekregen (n = 9). Patiënten hadden histologisch bewezen plaveiselcelcarcinoom. Fluorescentieopnames zijn zowel voor incisie van de tumor als na excisie van het wondbed gemaakt en gedurende het hele weefselverwerkingsproces waarna deze werden gecorreleerd met standaard histologisch onderzoek. Tevens werd met multi-diameter single fiber spectroscopie (MDSFR) de fluorescentie intensiteit (SFF) gekwantificeerd, zowel intra-operatief als ex-vivo.

Resultaten
Voor alle doseringen is er een duidelijk fluorescentiesignaal waargenomen. Analyse van de data toont een significant hoger fluorescentie signaal in tumorweefsel vergeleken met normaal weefsel in alle dosisgroepen (Tumor-to-Background Ratio (TBR): 10 mg = 2,53; 25 mg = 3,20; 50 mg = 2,02). In één van de negen patiënten was een histologisch bewezen positief snijvlak (marge < 1 mm) welke duidelijk zichtbaar was op de fluorescentiebeelden.

Conclusie
De eerste resultaten met Cetuximab-IRDye800CW tonen vanaf 10 mg al adequate tumorvisualisatie, zowel intra-operatief als ex-vivo. Dit wordt bevestigd door een goede TBR gemeten middels spectroscopie. Het bleek mogelijk een positieve marge te zien met deze techniek. Derhalve wordt nu een fase 2-studie gestart om de positief voorspellende waarde van deze techniek vast te stellen.

Dit onderzoek wordt gesubsidieerd door het KWF.

15. K. Boeve, I.J. den Toom, S. van Weert, R. Leemans, B. van der Vegt, E. Bloemena, A.H. Brouwers, O.S. Hoekstra, B. de Keizer, S. Willems, R. de Bree, M. J. H. Witjes
Accuratesse en lymfedrainagepatronen van de schildwachtklierprocedure bij patiënten met een tweede primaire mondholtetumor

15. ACCURATESSE EN LYMFEDRAINAGEPATRONEN VAN DE SCHILDWACHTKLIERPROCEDURE BIJ PATIËNTEN MET EEN TWEEDE PRIMAIRE MONDHOLTETUMOR
  1. BOEVE1,2, I.J. DEN TOOM3,4, S. VAN WEERT4, R. LEEMANS4, B. VAN DER VEGT2,
  2. BLOEMENA5, A.H. BROUWERS6, O.S. HOEKSTRA7, B. DE KEIZER8, S. WILLEMS9,
  3. DE BREE3, M.J.H. WITJES1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
2 Afdeling Pathologie & Medische Biologie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
3 Afdeling KNO & Hoofd - Hals Chirurgische Oncologie, Universitair Medisch Centrum, Utrecht
4 Afdeling KNO & Hoofd - Hals Chirurgische Oncologie, Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam
5 Afdeling Pathologie, Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam
6 Afdeling Nucleaire Geneeskunde & Moleculaire Beeldvorming, Universitair Medisch Centrum, Groningen
7 Afdeling Radiologie en Nucleaire Geneeskunde, Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam
8 Afdeling Nucleaire Geneeskunde, Universitair Medisch Centrum, Utrecht
9 Afdeling Pathologie, Universitair Medisch Centrum, Utrecht

Introductie
Er is weinig bekend over de toepasbaarheid van de schildwachtklierprocedure bij patiënten met een tweede primaire mondholtecarcinoom die eerder een oncologische behandeling van de hals hebben ondergaan. Door een eerdere behandeling veranderen mogelijk de drainagepatronen in de hals. In dit onderzoek worden de lymfedrainagepatronen en de accuratesse van de schildwachtklierprocedure geanalyseerd bij eerder behandelde patiënten uit drie tertiaire hoofd-halsoncologie centra.

Materiaal en methode
53 patiënten met een tweede primaire mondholtecarcinoom (cT1-2N0) werden in de periode 2007 – 2016 behandeld met een tumorresectie en een schildwachtklierprocedure. 10 patiënten hadden in de voorgeschiedenis behandeling van de hals alleen contralateraal ten opzichte van de tweede primaire tumor. Deze 10 patiënten zijn niet gebruikt voor de lymfedrainagepatronen analyse. De andere 43 patiënten hadden ipsilateraal in de voorgeschiedenis: schildwachtklier extirpatie (n = 9, 21%), halsklierdissectie (n = 16, 37%), radiotherapie (n = 10, 23%) of een combinatie (n = 8, 19%).

Resultaten
In 45 patiënten konden schildwachtklieren worden gedetecteerd (85%, 45/53).

3 patiënten hadden een metastase positieve schildwachtklier. In de follow-up werd 1 patiënt gediagnosticeerd met een recidief metastase (sensitiviteit 75%, NVW 98%). Afwijkende drainagepatronen werden gevonden in 30%: naar de lager gelegen levels 4 en 5 (14%) en naar de contralaterale zijde (16%).

Conclusie
De schildwachtklierprocedure lijkt een accurate procedure voor het stadiëren van de hals bij patiënten met een tweede primaire mondholtecarcinoom en een eerdere oncologische behandeling van de hals. Daarnaast geeft de schildwachtklierprocedure inzicht in de individuele lymfedrainage, waardoor afwijkende patronen zichtbaar worden in 30% van de deze patiënten.

16. W.W.B. de Kort, S.L.N. Maas, S.M. Willems, R.J.J. van Es
De waarde van het aantal lymfeklieren in de halsklierdissectie voor preciezere prognose

16. DE WAARDE VAN HET AANTAL LYMFEKLIEREN IN DE HALSKLIERDISSECTIE VOOR PRECIEZERE PROGNOSE

W.W.B. DE KORT1, S.L.N. MAAS2, S.M. WILLEMS2, R.J.J. VAN ES1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Utrecht
2 Afdeling Pathologie, Universitair Medisch Centrum, Utrecht

Introductie en doelstelling
Het aantal lymfeklieren in het dissectiepreparaat is in de algemene oncologische chirurgie een sterke prognostische factor en kwaliteitsparameter. In de hoofd-halschirurgische oncologie niet. Daarom is een systematische review verricht naar het aantal lymfeklieren geoogst tijdens de halsklierdissectie, als prognostische factor voor het plaveiselcelcarcinoom in het hoofd-halsgebied.

Materiaal en methoden
Alle Pubmed en Embase publicaties tot 30-6-18 werden gescreend op analyse van aantal lymfeklieren in de halsklierdissectie als prognostische factor, met als uitkomst globale overleving bij plaveiselcelcarcinoom. Risico op bias werd gescoord volgens de Quality In Prognostic Studies (QUIPS)-tool. Informatie over het aantal lymfeklieren en de overleving werd geëxtraheerd uit geïncludeerde studies.

Resultaten
Van 823 artikelen werden 15 artikelen geïncludeerd: 7 studies vergeleken ≥ 18 lymfeklieren versus < 18 klieren in een halsklierdissectie als prognostische factor.
6 studies rapporteerden verbeterde overleving indien ≥ 18 klieren werden verwijderd, hiervan waren 5 studies significant. (HR ≥ 18 vs < 18 range: 0,5-0,93, mediaan 0.72).
6 studies gebruikten andere cut-offs, waarvan 5 studies een significant verbeterde overleving rapporteerden indien meer lymfeklieren werden verwijderd (HR range: 0,19-0,82 mediaan 0,82).
1 studie beschreef bij meer, of minder dan 22 lymfeklieren een overleving na 5 jaar van  85% respectievelijk 68%.
3 studies rapporteerden verbeterde overleving per geoogste lymfeklier: 2 studies met  HR 0,97 - en 0,98/klier, 1 studie met relatief risico van 0,98/klier.

Conclusie
Een hoger aantal lymfeklieren geoogst in een halsklierdissectie, meest beschreven als ≥ 18 lymfeklieren, correleert met een verbeterde overleving en zou gebruikt kunnen worden als prognostische factor en kenmerk voor zorgkwaliteit.

Referenties

  1. Le Voyer TE, Sigurdson ER, Hanlon AL, et al. Colon cancer survival is associated with increasing number of lymph nodes analyzed: a secondary survey of intergroup trial INT-0089. J Clin Oncol. 2003;21(15):2912-2919. doi:10.1200/JCO.2003.05.062
  2. Kuo P, Mehra S, Sosa JA, et al. Proposing prognostic thresholds for lymph node yield in clinically lymph node-negative and lymph node-positive cancers of the oral cavity. Cancer. 2016;122(23):3624-3631. doi:10.1002/cncr.30227
  3. Ebrahimi A, Clark JR, Amit M, et al. Minimum Nodal Yield in Oral Squamous Cell Carcinoma: Defining the Standard of Care in a Multicenter International Pooled Validation Study. Ann Surg Oncol. 2014;21(9):3049-3055. doi:10.1245/s10434-014-3702-x
17. W.L. Kouwenberg, F.J. Dieleman, A.J.W.P. Rosenberg
Losse elementen, een ruimte innemend proces in de maxilla en de uiteindelijke precieze diagnose

17. LOSSE ELEMENTEN, EEN RUIMTE INNEMEND PROCES IN DE MAXILLA EN DE UITEINDELIJKE PRECIEZE DIAGNOSE

W.L. KOUWENBERG, F.D. DIELEMAN, A.J.W.P. ROSENBERG
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Utrecht 

Case Report
Een 48 jaar oude Kaukasische man presenteert zich met linkszijdige aangezichtspijn en mobiliteit van elementen in het tweede kwadrant. Elders waren reeds meerdere losse elementen verwijderd.

Een CT-scan van het hoofd-halsgebied laat een solide massa zien in de linker sinus maxillaris, forse botaantasting van de maxilla. De initiële bioptie toonde een aspecifiek ontsteking. Een diagnostische partiele linkszijdige maxillectomie werd verricht en liet een chronisch ontstekingsbeeld zien. Kweken toonde Actinomyces. Bij ontbreken van een betere diagnose dan actinomycose werd pragmatisch gestart met benzylpenicilline intraveneus. Vanwege toename van het klinisch beeld en toename van de botdestructie op CT-scan volgde een uitgebreide re-resectie met debridement.

Histopathologie: een chronisch ontstekingsbeeld met fibrose en botdestructie. Aanvullende IgG4 immunohistochemische kleuring toonde tot 135 IgG4 positieve plasmacellen per HPF. Alhoewel de ratio IgG4 / IgG positieve plasmacellen kleiner is dan 40%, is het beeld wel uiterst suspect voor IgG4 gerelateerde ziekte.

IgG4 gerelateerde ziekte is een immuun gemedieerde aandoening gekarakteriseerd door weefselfibrose en infiltratie van IgG4 positieve plasmacellen. De ziekte kan zich in een afzonderlijk orgaan maar ook systemisch manifesteren. Klinisch en radiologisch kan de ziekte worden verward met een maligniteit of infectie. IgG4-gerelateerde ziekte wordt het meest frequent in de pancreas, speekselklieren, lymfeklieren, schildklier, orbita, bovenste luchtwegen gezien. Betrokkenheid van de maxilla is zeldzaam. De behandeling bestond uit corticosteroïden.

Conclusie
Bij verhoogde mobiliteit van de elementen, in combinatie met een ruimte innemend proces op CT-scan en een ontstekingsbeeld in de histopathologie, bestaat een verdenking voor IgG4 gerelateerde ziekte.

Referentie
Modern Pathology (2012) 25, 1181-1192

18 .T.A.J. van de Winkel, D. Tellez, M.T. Brands, R. van de Loo, I. Otte-Höller, U. Flucke, M.A.W. Merkx, J.A.W.M. van der Laak
De prognostische waarde van mitosedichtheid in mondkanker

18. DE PROGNOSTISCHE WAARDE VAN MITOSEDICHTHEID IN MONDKANKER

T.A.J. VAN DE WINKEL1, D. TELLEZ2, M.T. BRANDS1, R. VAN DE LOO2, I. OTTE-HÖLLER2,
FLUCKE2, M.A.W. MERKX1, J.A.W.M. VAN DER LAAK2

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen
2 Afdeling Pathologie, Radboudumc, Nijmegen

Introductie
Mitosedichtheid is een belangrijke prognostische factor bij verschillende vormen van kanker. Voor het mondholtecarcinoom is dit nog niet bekend.[1] Een mogelijke verklaring is de bewerkelijkheid van mitoses tellen. Sommige computeralgoritmen presteren beter in diagnostiek dan pathologen.[2]

Heeft mitosedichtheid, vastgesteld middels digitale pathologie, bij tongcarcinomen een prognostische waarde?

Methode
Van 63 opeenvolgende (2000-2012) T1N0M0 plaveiselcelcarcinomen (PCC) van de tongrand werden de hematoxyline-eosinekleuringen (H&E) van de excisiepreparaten gedigitaliseerd. Een eerder voor het herkennen van mitosefiguren ontwikkeld algoritme[3] is toegepast op de digitale coupeafbeeldingen en de output werd visueel geïnspecteerd. De Kaplan-Meier overlevingsanalyse is uitgevoerd voor hogere en lagere mitosegetallen.

Resultaten
Het algoritme herkende correct de mitosefiguren in H&E coupes van tongrand PCC's. Er werd geen relatie gevonden tussen mitosegetal en overleving. Een positieve relatie werd wel gevonden tussen mitosegetal en differentiatiedraad.

Conclusie
Mitosedichtheid heeft geen prognostische waarde in T1N0M0 tongrand PCC's. De waarde van digitale pathologie in de hoofdhalsoncologie in het algemeen en het tongrand PCC in het bijzonder, dient nader bepaald te worden in het perspectief van prognostische factoren.

Referenties

  1. Wagner et al. Bryne’s grading system predicts poor disease-specific survival of oral squamous cell carcinoma: a comparative study among different histologic grading systems. 2017 Jun; 123(6): 688-696.
  2. Ehteshami Bejnordi et al. Diagnostic Assessment of Deep Learning Algorithms for Detection of Lymph Node Metastases in Women With Breast Cancer. JAMA. 2017 Dec 12; 318(22): 2199-2210.
  3. Tellez et al. Whole-Slide Mitosis Detection in H&E Breast Histology Using PHH3 as a Reference to Train Distilled Stain-Invariant Convolutional Networks. IEEE Trans Med Imaging. 2018 Mar 28.

 

 

 

 

19. S. Vinayahalingam, T. Xi, S.J. Bergé, T.J.J. Maal, G. de Jong
Geautomatiseerde detectie en segmentatie van de derde molaren en de nervus alveolaris inferior op orthopantomogrammen door gebruik van deep-learning algoritmes

19. GEAUTOMATISEERDE DETECTIE EN SEGMENTATIE VAN DE DERDE MOLAREN EN DE NERVUS ALVEOLARIS INFERIOR OP ORTHOPANTOMOGRAMMEN DOOR GEBRUIK VAN DEEP-LEARNING ALGORITHMES

S. VINAYAHALINGAM1,3, T. XI1, S.J. BERGÉ1, T.J.J. MAAL1,3, G. DE JONG2

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen
2 Afdeling Neurochirurgie, Radboudumc, Nijmegen
3 3D imaging Laboratory, Radboudumc, Nijmegen 

Introductie
Het verwijderen van geïmpacteerde verstandskiezen is een van de meest uitgevoerde verrichtingen door de kaakchirurg. De meest voorkomende complicaties zijn alveolitis, wondinfectie en schade aan de nervus alveolaris inferior (NAI). Om het risico op schade aan de NAI adequaat te kunnen beoordelen, is de identificatie van de precieze locatie van zowel de desbetreffende molaar (M3) als de NAI op een orthopantomogram (OPT) noodzakelijk. 

Materialen en methodes
OPT's van 81 patiënten werden willekeurig geselecteerd. De M3’s en de IAN werden handmatig gesegmenteerd, waarbij gemaakte OPT’s dienden als referentie. Deep-learning, een vorm van kunstmatige intelligentie, werd op basis van U-net gemodificeerd en toegepast op de referentiegegevens om het convolutionele neurale netwerk (CNN) te trainen in de detectie en segmentatie van de M3’s en de NAI. Er werden dice-coëfficiënten berekend om zowel de mate van overeenkomst tussen de handmatig gesegmenteerde M3's en de IAN, als de door het U-net automatisch gesegmenteerde gegevens te kwantificeren. 

Resultaten
De gemiddelde Dice-coëfficiënt voor  de M3’s was 0,94 (SD 0,03). De dice-coëfficiënt voor de IAN was aanzienlijk lager, namelijk 0,64 (SD 0,14). 

Conclusie
Deep-learning is een goede benadering om M3's, geïdentificeerd middels OPT, op een geautomatiseerde manier te detecteren en te segmenteren. Verdere verbetering en training van CNN (U-net) is noodzakelijk om de detectie en segmentatie van de NAI te verbeteren. We zijn van mening dat deze vorm van kunstmatige intelligentie op de lange termijn steeds belangrijker zal worden in risicomanagement betreffende zenuwschade van de NAI ten gevolge van het verwijderen van M3’s.

Walter van Breda, tandarts-prothetist, Antwerpen
bio-LOGISCHE implantologie
E. Steijvers, senior MRI Operations & Support Technician, Scannexus, Maastricht
Ultra-High Field MRI
Voorzitters: D.C. Koper en H. Dekker
20. T.A. van der Meulen, F.G.M. Kroese, H.J.M. Harmsen, S.C. Liefers, H. Bootsma, A. Vich Vila, F.K.L. Spijkervet, A. Vissink
Microbioom analyse laat zien dat de orale bacteriële samenstelling samenhangt met de speekselproductie

20. MICROBIOOM ANALYSE LAAT ZIEN DAT DE ORALE BACTERIËLE SAMENSTELLING SAMENHANGT MET DE SPEEKSELPRODUCTIE

T.A. VAN DER MEULEN1, F.G.M. KROESE2, H.J.M. HARMSEN3, S.C. LIEFERS2, H. BOOTSMA2,
VICH VILA4, F.K.L. SPIJKERVET1, A. VISSINK1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
2 Afdeling Reumatologie en Klinische Immunologie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
3 Afdeling Medische Microbiologie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
4 Afdeling Genetica, Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen

Introductie en doelstelling
Recent hebben wij met behulp van microbioom analyses aangetoond dat de bacteriële samenstelling in de mond bij patiënten met een verminderde speekselproductie ten gevolge van het syndroom van Sjögren (SS) grotendeels vergelijkbaar is met die van patiënten zonder SS (non-SS sicca) met een vergelijkbaar niveau van speekselproductie (1,2). Het doel van de huidige studie was om te onderzoeken in hoeverre de samenstelling in de mond samenhangt met de speekselproductie.

Methode
De gehele orale bacteriële samenstelling van 37 patiënten met primair SS (pSS), 86 non-SS sicca patiënten en 24 gezonde controles (GCs) werd bepaald met behulp van 16S ribosomaal RNA gen sequencing van uitstrijkjes van het wangslijmvlies. Van alle patiënten en GCs werd de ongestimuleerde en gestimuleerde speekselproductie gemeten. Spearman’s correlatie tests werden gebruikt. P-waarden werden gecorrigeerd voor multiple-testing (aangeduid als q-waarde).

Resultaten
Zowel het niveau van de ongestimuleerde als gestimuleerde speekselproductie droeg significant bij aan de orale bacteriële samenstelling (respectievelijk 4,1 en 4,3%, p < 0,001, adonis). Dit effect was groter dan de 3,8% die kon worden verklaard door ziekte (pSS versus non-SS sicca versus GCs,

p < 0,001). Een hogere speekselproductie correleerde significant met een hogere relatieve hoeveelheid van Proteobacteriën en genera Granulicatella, Haemophilus, Neisseria en Lautropia (Spearman’s Rho 0,45-0,51, q < 0,01). De speekselproductie correleerde negatief met de relatieve hoeveelheid van Lactobacillus (Rho -0,48, q < 0,01) en Alloscardovia (Rho -0,46, q < 0,01).

Conclusie
De hoeveelheid speekselproductie bepaalt een significant deel van de algehele bacteriële samenstelling en de relatieve hoeveelheid van specifieke bacteriën in de mondholte.

Referenties

  1. van der Meulen TA, Harmsen HJM, Bootsma H, Liefers SC, Vich Vila A, Zhernakova A, et al. Dysbiosis of the buccal mucosa microbiome in primary Sjögren’s syndrome patients. Rheumatology. 2018 [Epub ahead of print]
  2. van der Meulen TA, Harmsen HJM, Bootsma H, Liefers SC, Vich Vila A, Zhernakova A, et al. Reduced salivary secretion contributes more to changes in the oral microbiome of patients with primary Sjögren’ s syndrome than underlying disease. Ann Rheum Dis. 2018 [Epub ahead of print]
21. B.P. Jonker, E.B. Wolvius, J.T. van der Tas, J. Pijpe
Verschil in klinische en esthetische parameters bij enkeltandsvervanging In het front met en zonder Guided Bone Regereration (GBR)

21. VERSCHIL IN KLINISCHE EN ESTHETISCHE PARAMETERS BIJ ENKELTANDSVERVANGING IN HET FRONT MET EN ZONDER GUIDED BONE REGENERATION (GBR)

B.P. JONKER, E.B. WOLVIUS, J.T. VAN DER TAS, J. PIJPE

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden
2 Afdeling Endocrinologie-Botcentrum, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden
3 Afdeling Medische Statistiek, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden

Doel
De radiologische bevindingen op (CB)CT voor bisfosfonaat gerelateerde osteonecrose van de kaak (BRONJ) zijn goed beschreven en tot dusver zijn er geen verschillen gerapporteerd tussen BRONJ en de nieuwere denosumab gerelateerde osteonecrose van de kaak (DRONJ). Het doel van deze observationele pilotstudie is om de radiologische bevindingen op CBCT te vergelijken tussen DRONJ- en BRONJ-patiënten.

Materiaal en methode
34 opeenvolgende MRONJ-patiënten – met uitsluitend óf bisfosfonaat- óf denosumabgebruik - die zich presenteerden tussen januari 2012 en januari 2018 op de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie van het Leids Universitair Medisch Centrum ondergingen een (CB)CT in het kader van beoordeling van de uitbreiding van de necrose. Demografische data van de patiënten werden verzameld. De aanwezigheid van sequesters, subperiostale botvorming, lyse van de cortex en sclerose werden gescoord op (CB)CT. De verschillen werden bestudeerd.

Resultaten
De radiologische bevindingen van DRONJ toonden significant minder sequesters (p = 0,015) en corticale lyse (p = 0,033). Subperiostale botformatie was niet significant verschillend van BRONJ. Sclerose was niet significant verschillend met een gemiddelde van 2,41 bij DRONJ en 2,29 bij BRONJ.

Conclusie(s)
Het significante verschil in de aanwezigheid van sequesters is van belang omdat het kan leiden onderschatting en dus ook onderbehandeling van DRONJ.

22. H.H. Glas, J. Kraeima, F.K.L. Spijkervet, K.P. Schepman, A. Rashad, M. Heiland, S. Tribius, S.Y. Lai, A.S.R. Mohamed, M.J.H. Witjes
Accuratere chirurgische behandeling van osteoradionecrose met behulp van 3D isodosis visualisatie: een multicenter retrospectieve analyse

22. ACCURATERE CHIRURGISCHE BEHANDELING VAN OSTEORADIONECROSE MET BEHULP VAN 3D ISODOSIS VISUALISATIE: EEN MULTICENTER RETROSPECTIEVE ANALYSE

H.H. GLAS1, J. KRAEIMA1, F.K.L. SPIJKERVET1, K.P. SCHEPMAN1, A. RASHAD2, M. HEILAND2,
TRIBIUS3, S.Y. LAI4, A.S.R. MOHAMED5, M.J.H. WITJES1
 

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
2 Department of Oral and Maxillofacial Surgery, University Medical Center Hamburg-Eppendorf, Hamburg, Germany
3 Department of Radiation Oncology, University Medical Center Hamburg-Eppendorf, Hamburg, Germany
4 Department of Head and Neck Surgery, University of Texas MD Anderson Cancer Center, Houston, USA
5 Division of Radiation Oncology, University of Texas MD Anderson Cancer Center, Houston, USA

Introductie en doelstellingen
Bij osteoradionecrose (ORN) is een verband tussen de stralingsdosis en het optreden van ORN, met toenemend risico bij een dosis van >56 Gy. In gevallen van mandibulaire ORN kan een segmentresectie geïndiceerd zijn. In het UMCG is software ontwikkeld waarmee het mogelijk is om 3D visualisatie van radiotherapievelden op te nemen in de 3D chirurgische planning. Het doel van deze retrospectieve studie is om te bepalen of 3D visualisatie van radiotherapie (RT) dosisvelden nuttig is voor chirurgische beslissingen met betrekking tot de optimale resectiemarges van het bot bij chirurgische behandeling van ORN.

Materiaal en methoden
Van 3 hoofd-halsoncologische centra (UMC Groningen, UMC Hamburg-Eppendorf, MD Anderson Houston) werden patiënten geïncludeerd met ORN waarvoor een continuïteitsresectie was verricht. Voor elke casus werd de RT-planning en postoperatieve 3D reconstructie geprojecteerd op de preoperatieve CT-beelden. De uitkomstmaat is progressie van ORN van het resectievlak.

Resultaten
26 casussen werden geïncludeerd. De 50-, 56- en > 60Gy isodosisvelden werden gevisualiseerd en vergeleken met de resectievlakken. In 5 gevallen was er progressie van ORN, waarbij in alle gevallen binnen het 56Gy isodosisveld is gereseceerd.   

Conclusie
Een beslissingsondersteunende methode werd ontwikkeld voor het 3D visualiseren van isodosisvelden in relatie tot 3D botmodellen. Op basis van de data is een strikte cutoff isodosis lastig te geven; meest waarschijnlijk is een isodosis lager dan 56Gy een veilige resectierand. Echter, de grootte en locatie van de isodosisvelden laten niet altijd een dergelijke resectie toe zonder hoge morbiditeit.

Voorzitters: J.W.F.H. Frenken en H.G.G.J. Vallen
23. A.J. Tuin, J.A. van Dongen, R.H. Schepers, B. van der Lei, F.K.L. Spijkervet, A. Vissink, J. Jansma
Tevredenheid over het gezicht is niet afhankelijk van de leeftijd bij Nederlandse vrouwen

23. TEVREDENHEID OVER HET GEZICHT IS NIET AFHANKELIJK VAN DE LEEFTIJD BIJ NEDERLANDSE VROUWEN

A.J. TUIN1, J.A. VAN DONGEN2, R.H. SCHEPERS1,  B. VAN DER LEI2, F.K.L. SPIJKERVET1,
A. VISSINK1, J. JANSMA1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
2 Afdeling Plastische Chirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen

Introductie
Patient Reported Outcome Measurements (PROMs) worden steeds vaker gebruikt voor het meten van het effect van esthetische chirurgie in het gezicht. Door de afwezigheid van normaalwaarden van PROMs, kan er geen inschatting worden gegeven of de beginsituatie of het eindresultaat bij een esthetische ingreep afwijkt van het landelijk gemiddelde. In deze studie is onderzocht wat de normaalwaarden van tevredenheid over het gezicht zijn bij vrouwen in Nederland die geen ingreep aan hun gelaat hebben ondergaan.

Methode
180 gezonde vrouwen in Nederland tussen de 18 en 85 jaar die geen chirurgische of cosmetische  ingrepen aan het gezicht (zoals facelift, orthognatische chirurgie, fillers, botox, ooglidcorrectie) hadden ondergaan, werden random gevraagd voor deelname. Alle 14 modules van de gevalideerde FACE-Q vragenlijst werden voorgelegd. De uitkomsten werden geanalyseerd als functie van de leeftijd (18-30, 30-39, 40-49, 50-59 en 60+).

Resultaten
150 van de 180 geïncludeerde proefpersonen vulden de  vragenlijst volledig in. De gemiddelde  ‘tevredenheid in het algemeen’ en ‘tevredenheid met huidkwaliteit’ waren niet geassocieerd met de leeftijd van de proefpersonen. Oudere proefpersonen rapporteerden wel hogere scores m.b.t het storen aan verouderingskenmerken, zoals rimpels, liplijntjes en hangende bovenoogleden. Proefpersonen die lager scoorden op het ‘psychisch welbevinden’ waren minder ‘tevreden in het algemeen’ (ρ 0,621, p < 0,001).

Conclusie
Tevredenheid over het gezicht bij vrouwen is gecorreleerd met het psychisch welbevinden en niet met de leeftijd.

Subsidie: BOOA Grant 2014

24. F.M. Weinberg, C.M. Speksnijder, T. Forouzanfar, A.J.W.P. Rosenberg
Weke delen letsel na collum-mandibulae fracturen en de invloed op orale functie: systematische review

24. WEKE DELEN LETSEL NA COLLUM-MANDIBULAE FRACTUREN EN DE INVLOED OP ORALE FUNCTIE: SYSTEMATISCHE REVIEW

F.M. WEINBERG1, C.M. SPEKSNIJDER1, T. FOROUZANFAR2, A.J.W.P. ROSENBERG1

Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Utrecht
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam

Introductie en doelstelling
De meerderheid van het onderzoek naar de behandeling van collum mandibulae fracturen richt zich op botniveau. Collum mandibulae fracturen lijken vaak gepaard te gaan met letsel van de weke delen van het temporomandibulair gewricht (TMJ). Het doel van dit systematische review was een overzicht verkrijgen van de gepubliceerde studies die zich richten op deze weke delen letsels.

Methoden
In juli 2018 werd een elektronische zoekopdracht uitgevoerd. Beoordeling van de kwaliteit werd uitgevoerd met behulp van de kwaliteitsbeoordelingstool voor observationele cohort en cross-sectionele studies (QAT-OCCSS). Tevens werden MRI-instellingen beoordeeld.

Resultaten
De zoekstrategie resulteerde in evaluatie van 16 revelante artikelen van de 560. Deze artikelen werden beschrijvend geëvalueerd op basis van studiedesign, studiegrootte, patiëntkarakteristieken en traumakarakteristieken. Een studie was van goede kwaliteit. Een overzicht van de gebruikte MRI-instellingen werd gemaakt.

Conclusie
De relatie van het type fractuur en de invloed ervan op de klinische uitkomst zijn onvoldoende onderzocht. MRI is een efficiënte modaliteit voor het diagnosticeren van traumatisch letsel van de weke delen van de TMJ. Intracapsulaire fracturen geven de meeste kans op discus dislocatie. Gedisloceerde fracturen geven meer weke delen letsels. Ernstige letsels aan de discus en kapsel is bijdragend aan de ontwikkeling van complicaties na gesloten fractuurreductie.

Referenties

  1. Yang X, Yao Z, He D, Cai Y, Dong M, Yang C. Does soft tissue injury affect intracapsular condylar fracture healing? J Oral Maxillofac Surg. 2015:73:2169-2180.
  2. Oezmen Y, Mischkowski RA, Lenzen J, Fischbach R. MRI examination of the TMJ and functional results after conservative and surgical treatment of mandibular condyle fractures. Int J Oral Maxillofac Surg. 1998:27:33-37.
  3. Al-Saleh MAQ, Alsufyani NA, Saltaji H, Jaremko JL, Major PW. MRI and CBCT image registration of temporomandibular joint: a systematic review. J Otolaryngol - Head Neck Surg. 2016:45:1-7.
25. R.W. Renkema, C.J.J.M. Caron, E. Pauws, E.B. Wolvius, J.A.M. Schipper, W. Rooijers, B.I. Pluijmers, D.J. Dunaway, C.R. Forrest, B.L. Padwa, M.J. Koudstaal Extracraniofaciale afwijkingen bij craniofaciale microsomie: een retrospectieve analyse van 991 patiënten

25. EXTRACRANIOFACIALE AFWIJKINGEN BIJ CRANIOFACIALE MICROSOMIE: EEN RETROSPECTIEVE ANALYSE VAN 991 PATIËNTEN

R.W. RENKEMA1, C.J.J.M. CARON1, E. PAUWS2, E.B. WOLVIUS1, J.A.M. SCHIPPER1,
ROOIJERS1, B.I. PLUIJMERS1, D.J. DUNAWAY2, C.R. FORREST3, B.L. PADWA4,
M.J. KOUDSTAAL1,2,3

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
2 The Craniofacial Unit, Great Ormond Street Hospital, London, UK
3 Division of Plastic and Reconstructive Surgery, The Hospital for Sick Children, Toronto, Canada
4 Department of Plastic and Oral Surgery, Boston Children’s Hospital, Boston, USA

Introductie
Craniofaciale microsomie (CFM) is een congenitale aandoening waarbij de structuren die vanuit de eerste- en tweede kieuwboog ontwikkelen onderontwikkeld kunnen zijn. CFM is een heterogene aandoening waarbij naast een uni- of bilaterale onderontwikkeling van het gelaat, tevens extracraniofaciale afwijkingen kunnen voorkomen. Deze retrospectieve studie geeft een overzicht van de extracraniofaciale afwijkingen binnen CFM en heeft de patiëntkarakteristieken bestudeerd om zo ‘preciezer’ screening mogelijk te maken. Er werden 991 patiënten geïncludeerd uit vier verschillende internationale craniofaciale centra, waarbij de medische dossiers werden geanalyseerd en data over patiëntkarakteristieken en extracraniofaciale afwijkingen nader bestudeerd werd. De prevalentie van extracraniofaciale afwijkingen in dit cohort was 46%. In de verschillende tracti bedroeg de prevalentie: vertebraal 28%, centraal zenuwstelsel 11%, circulatorius 21%, respiratorius 3%, digestivus 9% en urogenitaal 11%. Patiënten met een extracraniofaciale afwijking hadden een hoger risico op additionele extracraniofaciale afwijkingen in andere tracti vergeleken met patiënten zonder extracraniofaciale afwijkingen. De prevalentie extracraniofaciale afwijkingen was hoger bij patiënten met bilaterale CFM en bij patiënten met ernstigere deformiteit van de mandibula, nervus facialis of van de weke delen van het aangezicht. Patiënten met CFM dienen gescreend te worden op extracraniofaciale afwijkingen middels lichamelijk onderzoek met aandacht voor het hart, de nieren en neurologische afwijkingen. Tevens dient aanvullend onderzoek middels elektrocardiografie, echocardiografie, radiografie van de wervelkolom en echografie van de nieren plaats te vinden bij patiënten met een verhoogd risico op extracraniofaciale afwijkingen.

26. G.K.P. Bittermann, A.P. de Ruiter, A.J.N. Bittermann, A.B. Mink van de Molen, R.J.J. van Es, R. Koole, A.J.W.P. Rosenberg
Gezichtsuitgroei en dentale relatie bij patiënten met een bilaterale schisis: voorspellende factoren voor Le Fort I osteotomy

26. GEZICHTSUITGROEI EN DENTALE RELATIE BIJ PATIENTEN MET EEN BILATERALE SCHISIS: VOORSPELLENDE FACTOREN VOOR LE FORT I OSTEOTOMIE

R.W. RENKEMA1, C.J.J.M. CARON1, E. PAUWS2, E.B. WOLVIUS1, J.A.M. SCHIPPER1,
ROOIJERS1, B.I. PLUIJMERS1, D.J. DUNAWAY2, C.R. FORREST3, B.L. PADWA4,
M.J. KOUDSTAAL1,2,3

G.K.P. BITTERMANN, A.P. DE RUITER, A.J.N. BITTERMANN, A.B. MINK VAN DE MOLEN,
R.J.J. VAN ES, R. KOOLE, A.J.W.P. ROSENBERG

Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Utrecht

Introductie
Het doel van het onderzoek was het evalueren van de groei van het midden gezicht en de dentale relatie bij bilaterale schisispatiënten (BCLP) na secondary alveolar bone grafting in combinatie met een osteotomie van de premaxilla (SABG+PO).

Materiaal en methode
De inclusie van de patiënten (n = 59, man = 37, vrouw = 22) vond plaats tussen 2004 en 2014. Gipsmodellen pre-SABG, post-SABG en long-term follow up (end-point) werden van de patiënten verzameld. Deze werden geanalyseerd middels de BAURU-Yardstick voor bilaterale schisispatiënten. Van dezelfde periode zijn ook de laterale schedelfoto’s geanalyseerd. De BAURU-scores zijn vergeleken met andere centra (Nijmegen, Göteborg, Oslo) uit de literatuur.

Resultaten
Er bestond geen significant verschil met de BAURU-scores van deze studie in vergelijking met de centra uit de literatuur. Er werd een negatieve correlatie gevonden tussen de pre-SABG ANB en de mean van de end-point BAURU score(R = -0,51, p = 0,000), welke gebruikt kan worden om te voorspellen of er een Le Fort I osteotomie rond 18-jarige leeftijd noodzakelijk zal zijn.

Conclusie
Er werd geen significant verschil gevonden bij vergelijking van de pre-SABG BAURU scores en de end-point BAURU-scores met die van andere centra.

Tijdens de groei van de patiënten neemt de SNA-hoek en de ANB-hoek af, wat kan wijzen op een vertraagde groei van het middengezicht. Een catch-up groei werd niet gezien. Een score van ANB < 6 grd pre-SABG geeft 78% kans op een Le Fort I osteotomie op 18 jaar.

27. D.E. Wortmann, T.F. Putters, J. Schortinghuis, B. van Minnen, C. Boven, A. Vissink, G. M. Raghoebar
Vergelijking van de morbiditeit van het oogsten van crista-iliaca-anterior- en calvariumbot

27. VERGELIJKING VAN DE MORBIDITEIT VAN HET OOGSTEN VAN CRISTA-ILIACA-ANTERIOR EN CALVARIUMBOT

D.E. WORTMANN1, T.F. PUTTERS1,2, J. SCHORTINGHUIS2,3, B. VAN MINNEN1, C. BOVEN1,
A. VISSINK1, G. M. RAGHOEBAR1

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum, Groningen
2 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Treant Refaja Ziekenhuis, Stadskanaal
1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Treant Scheper Ziekenhuis, Emmen

Introductie
Autoloog bot is de gouden standaard voor uitgebreide pre-implantologische reconstructie van de extreem geresorbeerde maxilla. Echter, het verschil in morbiditeit tussen het oogsten van crista-iliaca-anteriorbot en calvariumbot is onduidelijk. Derhalve werd in een groep van 20 edentate patiënten met een extreem geresorbeerde maxilla bij wie een augmentatie moest worden verricht, de morbiditeit van beide procedures vergeleken. 20 patiënten werden gerandomiseerd voor augmentatie met crista-iliaca-anteriorbot (n=10) of calvariumbot (n = 10). Bij beide groepen werd peroperatief het optreden van complicaties geregistreerd. Middels een visueel analoge schaal (10 cm VAS) werd de pijn gemeten in de eerste maand na de ingreep. Donorplaats gerelateerde morbiditeit werd vastgelegd via gevalideerde vragenlijsten en lichamelijk onderzoek tot een jaar na de ingreep. Perioperatief traden geen complicaties op. In zowel de crista-iliaca-anteriorgroep als de calvariumgroep was de direct postoperatieve pijn gering (3,4 ± 1,4 versus 3,1 ± 2,0 na 2 dagen,

p = 0,857 en 0,1 ± 0,3 versus 0,0 ± 0,0 na 30 dagen, p = 0,343). Een jaar na de ingreep was in beide groepen de pijn eveneens minimaal (0,4 ± 0,9 versus 0,1 ± 0,1, p = 0,270) en de patiënttevredenheid hoog (9,4 ± 0,5 versus 8,0 ± 2,9, p = 0,142). Na het oogsten van calvariumbot ontstond een significant langer litteken dan na het oogsten van crista-iliaca-anteriorbot (9,6 ± 2,5 cm versus 5,7 ± 2,2 cm,

p = 0,003). In beide groepen werd het litteken werd niet als storend ervaren. Uit deze studie blijkt dat de langetermijnmorbiditeit bij het oogsten van calvarium- en crista-iliaca-anteriorbot gering is en de patiënttevredenheid hoog. De beste donorplaats voor een individuele patiënt moet worden bepaald aan de hand van patiënt specifieke factoren.

28. H. Dekker, E.A.J.M. Schulten, E. Bloemena, C.M. ten Bruggenkate, L. van Ruijven, H.W. van Essen, N. Bravenboer
Het effect van radiotherapie op de botstructuur en botombouw van de onderkaak

28. HET EFFECT VAN RADIOTHERAPIE OP DE BOTSTRUCTUUR EN BOTOMBOUW VAN DE ONDERKAAK

DEKKER1, E.A.J.M. SCHULTEN1, E. BLOEMENA1, C.M. TEN BRUGGENKATE1,
VAN RUIJVEN2, H.W. VAN ESSEN3, N. BRAVENBOER3

1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie/Orale Pathologie, Amsterdam UMC/ACTA, locatie VUmc, Amsterdam
2 Afdeling Functionele Anatomie, ACTA, Amsterdam
3 Afdeling Klinische Chemie, Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam

Introductie
Osteoradionecrose (ORN) van de onderkaak is een ernstige complicatie van radiotherapie, er de precieze pathogenese die hieraan ten grondslag ligt, is onbekend. In dit onderzoek is gekeken naar het effect van radiotherapie op de trabeculaire botstructuur en het botmetabolisme in botweefsel uit de onderkaak.

Materiaal en methoden
Botbiopten van spongieus kaakbot van 27 bestraalde patiënten en 35 gezonde, niet-bestraalde personen werden vergeleken. De lokale dosis van het botbiopt werd berekend aan de hand van radiotherapiegegevens.  Met micro-CT werden structurele botparameters gemeten. Botombouw werd histomorfometrisch geanalyseerd met osteoidvolume- en oppervlakte als maat voor de botaanmaak en het aantal osteoclasten als maat voor de botafbraak. Verschillen werden getoetst met de Mann-Whitney-U-test en correlaties met Spearman’s rank-test.

Resultaten
Er is geen verschil in trabeculair botvolume tussen beide groepen. Trabecular number (p = 0,012) is lager en trabecular spacing (p = 0,048) is groter in de bestraalde groep. In de bestraalde groep is het osteoidvolume (p < 0,0001), het osteoidoppervlak (p < 0,0001) en het aantal osteoclasten per mm2 botoppervlak (p < 0,0001) lager dan in de niet-bestraalde groep. Er wordt geen relatie gevonden met de stralingsdosis.

Conclusies
De botstructuur is verslechterd in de bestraalde groep met minder trabeculae, die verder van elkaar zijn verwijderd.  Hoewel in de bestraalde groep zowel de botaanmaak als botafbraak zijn verminderd, is er geen relatie gevonden met de stralingsdosis.

29. J.P.J. Dings, L. Verhamme, T.J.J. Maal, M.A.W. Merkx, G.J. Meijer
Extraorale implantologie: betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van weke delen afgesteunde boormallen met en zonder benige fixatie

29. EXTRAORALE IMPLANTOLOGIE: BETROUWBAARHEID EN NAUWKEURIGHEID VAN WEKE DELEN AFGESTEUNDE BOORMALLEN MET EN ZONDER BENIGE FIXATIE

DEKKER1, E.A.J.M. SCHULTEN1, E. BLOEMENA1, C.M. TEN BRUGGENKATE1,
VAN RUIJVEN2, H.W. VAN ESSEN3, N. BRAVENBOER3

J.P.J. DINGS, L. VERHAMME, T.J.J. MAAL, M.A.W. MERKX, G.J. MEIJER
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen

Introductie
Behandeling van oncologische aangezichtsdefecten vormt zowel chirurgisch als prothetisch een uitdaging. Extra-orale implantaten hebben een duidelijke meerwaarde om de houvast van oor- en neusepithesen te verbeteren. De overlevingskans van extra-orale implantaten wordt met name bepaald door het beschikbare botvolume. Pre-implantologische 3D planning is onontbeerlijk om hierin inzicht te verkrijgen. Met behulp van chirurgische boormallen kan een optimale planning naar de patiënt worden overgebracht.

Idealiter wordt gebruik gemaakt van botafgesteunde boormallen; hiervoor dienen de omringende weke delen te worden opgeklapt. Om dit te voorkomen, kunnen ook boormallen worden gebruikt die op de weke delen afsteunen. Voordelen omvatten een gereduceerde operatieduur, verlaagde morbiditeit en het vermijden van deperiosteren. Hiertegenover staat een bemoeilijkte identificatie van anatomische landmarks en verhoogde kans op malpositie van de implantaten.

In deze studie werd de nauwkeurigheid van weke delen afgesteunde boormallen en invloed van percutane fixatiepinnen onderzocht. In een tiental fresh frozen kadavers werden in totaal 136 implantaten geplaatst; 70 en 66 implantaten met respectievelijk wel en niet gefixeerde boormallen. De deviatie tussen planning en uiteindelijke positie werd gemeten aan de top en apex van het implantaat, alsmede het verschil in diepte en angulatie. De implantaten geplaatst met gefixeerde boormallen blijken grotere deviaties te tonen (top implantaat: 3,7 mm versus 2,5 mm; apex implantaat 3,3 mm versus 2,5 mm;  diepte -0,8 mm versus 0,2 mm; angulatie 8,0o versus 5,9O).

Geconcludeerd wordt dat het overbrengen van een virtuele implantaatplanning via (al dan niet percutaan gefixeerde) weke delen afgesteunde boormallen vooralsnog onvoldoende betrouwbaarheid en nauwkeurigheid kent.

Referenties

  1. Cotert HS, Yilmaz M. Bone and Skin-Supported Stereolithographic Surgical Guides for Cranio-Facial Implant Placement. J Maxillofac Oral Surg 15: 76-81, 2016.
  2. Van der Meer WJ, Raghoebar GM, Gerrits PO, Noorda WD, Vissink A, Visser A. Digitally designed surgical guides for placing implants in the nasal floor of dentate patients: a series of three cases. Int J Prosthodont 25: 245-51, 2012.
  3. Bai S, Bi Y, Dong Y, Feng Z, Zhao Y: Computer-aided design/computer-aided manufacturing implant guide used in flapless surgery for auricular prosthesis. J Oral Maxillofac Surg 70: 1338-41, 2012.

 

MKA-Talk
30. H. Schouten, V. Akkerman
Oude wijn in nieuwe zakken; een Belgische grand cru, is het mogelijk?

30. OUDE WIJN IN NIEUWE ZAKKEN; EEN BELGISCHE GRAND CRU, IS HET MOGELIJK?

H. SCHOUTEN, V. AKKERMAN
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Spaarne Gasthuis, Haarlem

Introductie
Ruim 70 jaar na de introductie van het subperiostale implantaat lijkt er nu een betrouwbaar ‘precies’ passend subperiostaal implantaat geplaatst te kunnen worden. Beter jong geleerd, oud gedaan, dan steeds maar oude koeien uit de sloot halen. Aan de hand van spreekwoorden zal dit nieuwe subperiostale implantaatsysteem worden besproken.

 

 

Wim Daniels, schrijver, Eindhoven
De komma, het precisie-instrument in de taal, als symbool voor zorgvuldig handelen
Sprekers:

Scan de QR code en bekijk deze website op een smartphone.